Speech

Toespraak gehouden ter gelegenheid van de Kinderboekwinkelprijs, toegekend aan ‘Poten omhoog!’ 18 novemvber 2011

De jury heeft mij gevraagd om iets over myzelf en over mijn werk te vertellen.

Ik begin maar bij mijn jeugd. Ik ben het tweede kind in een familie van vijf dochters. Mijn ouders zijn naar Frankrijk verhuisd toen ik twee jaar was, voor het werk van mijn vader, die onderzoek deed naar elementaire deeltjes. Dus we woonden in Frankrijk in een behoorlijk achterlijk dorpje dicht bij Parijs. Heel erg buiten. Grote tuin aan de bosrand, veel Franse kinderen in de buurt die thuis niets mochten (niet schreeuwen, niets viesmaken etc) en bij ons mocht alles. Mijn moeder was heel onconventioneel , artistiek en heel gastvrij.

Aan de ene kant was er dus dat vrije huis, maar aan de andere kant de school. Het superstrenge Franse onderwijs dat we hebben ondergaan in dat dorp en later op het meisjesgymnasium in Versailles. Angst was het belangrijkste pedagogisch middel. Veel straf (zelfs lijfstraf) en verbale vernederingen waren dagelijkse kost.
Het resultaat van deze best wel traumatische ervaringen op school is dat ik verlegen ben geworden. Mijn zussen trouwens ook. En dat heeft weer als gevolg gehad dat ik ben gaan tekenen en schrijven. Dat is dan een manier om alsnog - maar dan veilig, gecontroleerd - te laten zien wie je bent. Tot dat je een prijs wint en moet speechen natuurlijk. 

Ik ben pas laat kinderboeken gaan maken. De eerste kwam uit toen ik 40 was. Daarvoor was ik so called  «beeldend kunstenaar». Ik was na mijn eindexamen in Frankrijk naar de kunstacademie in Groningen gegaan, en heb later de postacademische opleiding Ateliers’63 gevolgd.

Ik schreef altijd wel veel, maar voor mijn plezier. Vooral in het Frans, omdat ik de taal miste. Ik schreef altijd verzonnen verhalen. Ook nu ik dit stuk schrijf, vind ik het moeilijk me aan de waarheid te houden. Dat ga ik al  vrij snel saai vinden als ik niet een beetje kan overdrijven. 

Toen ik dus mijn eerste kinderboek wilde maken, was het voor mij vanzelfsprekend om zelf het verhaal te schrijven. Ik heb het ook altijd heel erg als een geheel gezien: het verhaal en het beeld.  Als ik schrijf zie ik de beelden voor me, als een soort film. Ik schrijf bij voorkeur scenes die ik leuk vind om te tekenen. 

De illustraties moeten meewerken. Ik streef niet naar het maken van een kunstwerk, zoals in mijn vorige leven, maar naar een beeld waardoor het verhaal tot leven komt. Maar toch kan ik eindeloos een prent opnieuw maken omdat ik denk dat de kleur mooier kan. 

Wat ik nastreef is dat allereerst kinderen natuurlijk veel plezier aan mijn boeken beleven - dat staat voorop -  en omdat prentenboeken gemaakt zijn voor kinderen die nog niet kunnen lezen, moeten ze ook leuk zijn voor de voorlezer. Dat is een interessante gymnastiek, om iets te maken waar een vierjarige enthousiast van wordt en zijn vader of moeder oom/juf/oma ook. 

Dat is trouwens precies waarom ik aan dit werk ben begonnen. Ik vond het een enorme kick om mijn kleine zoontje een boek voor te lezen dat we allebei geweldig vonden. Dat waren momenten van intens geluk. Bijvoorbeeld het voorlezen van Kleine Beer, van Elsa Minarik geïllustreerd door Sendak. Of de verhalen van Kikker en Pad van Lobel (en overigens alles  van Lobel), of boeken van Janosch. Ik noem er maar paar, er zijn er vele anderen, maar deze zijn heel belangrijk geweest. 

Wat ik dus nastreef is dat de kinderen en de ouders plezier aan mijn verhalen beleven en dat er wat te lachen valt. Op de een of ander manier vind ik humor een van de hoogste waarden in het scheppen, misschien nog hoger of even hoog als schoonheid of waarheid. Ik houd in het bijzonder van absurdistische humor. Manke logica die toch logisch lijkt, zotte scenes. 

Als kleuter leer je hoe de wereld in elkaar steekt, hoe je je hoort te gedragen, hoe je hoort te praten en hoe je hoort te denken. Wat ik probeer is een raampje open te zetten. Kijk, hier gaat het een beetje typisch aan toe, maar dat is toch ook heel gezellig.

Aan de ander kant dragen mijn boeken ook een soort onuitgesproken moraal uit, geloof ik. Ik krijg vaak te horen dat mijn personages zo « lief » zijn. Lief zijn vind ik een onderschatte kwaliteit, tegenwoordig.  Lief is iets anders dan klef of zoet. Ik vind zelf de combinatie lief en grappig ideaal.

Ik was 18 in 1975, en ik ben nogal geïmpregneerd door hippie-idealen en ben die nooit kwijtgeraakt. Het peace en love gehalte is geloof ik behoorlijk hoog in mijn boeken. Eigenlijk is mijn naïeve ideaal nog steeds dat iedereen van elkaar gaat houden.
Ik denk dat ik een soort ‘feel good’- boeken probeer te maken. Misschien omdat ik zelf de wereld helemaal niet zo makkelijk en zelfs wel beangstigend vond als kind. En nog steeds. Ik zal kleuters niet snel opzadelen met een triest verhaal. Ik zal ze ook niet lastig vallen met milieuproblemen of onrecht en ellende. Ze moeten eerst maar eens van de wereld, de mensen, de dieren en de planten gaan houden, en er een beetje vertrouwen in krijgen dat ze niet de enige zijn die dat doen. 

Maar dat is getheoretiseer achteraf, want als ik een verhaal bedenk, keuzes maak voor een bepaalde verhaallijn, voor een scene, gebeurt dat grotendeels intuïtief.